Een nieuw koororgel
De paters Dominicanen hadden zich in 1256 definitief in de Schelde-stad gevestigd, op de plaats waar we vandaag de Sint-Pauluskerk weten. In 1571 werd deze laatgotische kloosterkerk ingewijd. Zeven jaar laten, tijdens het calvinistisch bewind in Antwerpen, werd de kloostergemeenschap verjaagd en werd er lelijk huis gehouden in de gebouwen. Maar reeds in 1585 kwamen de Predikheren opnieuw in het bezit van het complex en kon de restauratie en herinrichting van start gaan.
In 1658 voltooide Nicolaes van Haeghen het grote orgel op het westelijk doksaal van de Dominicanerkerk. Dit schitterende instrument genoot bekendheid tot ver over onze grenzen. Het was niet alleen zeer monumentaal uitgewerkt, het bezat 47 registers en was, uitzonderlijk voor de Zuidelijke Nederlanden, voorzien van een aparte pedaaldispositie. Jean-Baptiste Forceville zou dit orgel tussen 1730 en 1732 nog uitgebreid verbouwen.
Ook in de periode 1645-1649 realiseerde Peeter I Verbruggen een marmeren portaal op het koor, onmiddellijk achter de viering. Zoals in zovele klooster- en kapittelkerken scheidde dit portaal het paterskoor af van het kerkschip, waar de predicatie tot de gelovigen gebeurde.
Bovenop dit portaal was er plaats voor een kleiner orgel dat het koorgebed van de kloosterlingen begeleiden moest.
Rond 1720 werd op dit koordoksaal onder leiding van Jean-Baptiste Forceville een nieuw orgel gebouwd. Van het jaartal is men niet geheel zeker omdat de archiefstukken vrijwel allemaal verloren gingen tijdens het Frans bewind. Toch neemt men doorgaans het jaar 1720 aan omdat het past in de werklijst van Forceville wat betreft tijdstip, dispositie en type orgelkast. Een financier is dus ook onbekend. Mogelijk zit er hiervoor een aanwijzing in het uitgesneden maaswerk (zie afbeelding hieronder) op de achterwand van de orgelkast. Dooreengevlochten letters vormen er een monogram dat nog steeds niet ontcijferd is.
![]()
Via dit maaswerk in de achterwand liet de orgelkast ook klank door in de richting van het kerkschip. Maar het orgelfront was gericht op het kerkkoor.
Dit nieuwe koordoksaalorgel van Forceville verwierf volgens de kronieken een grote faam als zilveren orgel omwille van de schitterende klank die het pijpwerk ten gehore gaf. In het bijzonder de stemmen montre 8’ en prestant 4’ klonken zeer harmonieus. Over de dispositie in deze tijd bestaan evenmin nog documenten, maar de verkoop van het instrument, een eeuw later geeft hiervoor een belangrijke aanduiding.
De verkoop
De komst van de Franse Republikeinen bracht het definitieve vertrek van de Predikheren. In 1797 werden de goederen van de ontbonden kloostergemeenschap verbeurd verklaard. Met de komst van Napoleon verkreeg de Kerk opnieuw meer armslag. De Predikerenkerk werd opnieuw in gebruik genomen als de parochiekerk Sint-Paulus. Hiertoe werd de kerkruimte heringericht en wilde men het koordoksaal slopen. Ook het koororgel was in dit concept niet nodig. Met het van Haeghen-orgel alleen al voelde men zich de koning te rijk.
In 1823 vatte men de herinrichtingswerken aan en werd het zilveren orgel te koop gesteld. In de Journal d’ Anvers et de la Province verscheen drie maal een advertentie waarin het orgel werd beschreven. Omwille van deze unieke momentopname geven we hier de volledige inhoud van deze advertentie.
Uyt’er hand te koop op voordeelige condition een extra schoon Orgel gestaen in de voormaelige Predikheere kerk, thans St. Pauluskerk, te Antwerpen, bestaende uyt de volgende registers ofte stemmen:
Claron 4 Voet
Trompet-bas 8 “
Fourniture 3 à 4 Sterk
Sexquealter bas 2 “
Octaef 2 Voet
Holpyp 8 “
Bourdon 16 “
Montre 8 “
Trompet Sup 8 Voet
Cimbal 3 Sterk.
Sexquialter sup 2 “
Tierce 13/4 Voet.
Nazart 3 “
Fluyt 4 “
Prestant 4 “
Maekende 14 heele registers ofte stemmen, 1 tremblant, 3 blaesbalken van 7 voet lang op circa 4 voet breed.
Het clavier heeft 4 octaeven, synde van C of ut onder, tot C of ut boven. Dit Orgel is gemaekt door den bèroemden Forceville, en mag voor een van zyne beste werken gerekend worden, niet tegenstaende alle de stemmen van het bovengenoemd Orgel die van een sterk en harmonieus geluyd zyn, moet men bezonder noemen de stemmen van montre 8 voet en prestant 4 voet, de welke dusdaenig schoon geluyd hebben, dat men aen dit Orgel in onze oude Chronyke den naem van Zilver Orgel gegeéven heéft.
Voor de conditiën zig te adresseéren door gefrankeérde brieven aen d’Heer DE LEEUW Orgelist in de Kamme-straet, wyk 4 N° 2785 te Antwerpn.
Er wordt in deze beschrijving over de klaviatuur niets gepreciseerd over een pedaal. Het restauratie-ontwerp van 1987 kende deze advertentie niet. I.p.v. de Claron voorzag adviseur Jef Braekmans hierin een voix humaine 8’.
Het orgel werd voor 1600 gulden verkocht aan de nieuwe Sint-Laurentiuskerk op het Antwerpse Zuid. In 1825 werd het uit de Sint-Pauluskerk gehaald. In de Sint-Laurentius deed het instrument dienst in afwachting van een nieuw orgel (1832) van de hand van Theodoor Smet.
Dezelfde Theodoor Smet deed het onderhoud van het Goltfuss-orgel in Broechem. Bij de levering van het nieuwe orgel aan Sint-Laurentius in Antwerpen heeft hij wellicht het zilveren orgel overgenomen en doorverkocht aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Broechem. De koop werd reeds gesloten in 1831.
Smet belooft hierin het orgel in Broechem te plaatsen zoals het zich in Antwerpen bevond, met volgende veranderingen: uitbreiding tot 54 tonen tot fa met daaruit voortvloeiende veranderingen aan de secreten; een nieuw klavier, belegd met ivoor en ebbenhout; vernieuwing van de tractuur; vernieuwing van de drie blaasbalgen; bijkomend pijpwerk voor de nieuwe tonen; een nieuw trompetregister en een nieuw Claironregister.
En Smet zal het orgel plaatsen op een nieuwe kastvoet met frontpijpen (zie foto onder).
Hij rekent voor dit orgel en de aanpassingswerken 2300 gulden. Voor de overname van het oude Goltfuss-orgel betaalde Smet 600 gulden aan de Broechemse kerk.
Het vernieuwde zilveren orgel werd te Broechem opgeleverd in 1835. In 1839 werd het hele project afgerond met de plaatsing van een positieforgel in de kastvoet. Smet plaatst bij die gelegenheid nog twee nieuwe clavieren met koppeling en een voetpedaal met de nodige tractuur.
In de daarop volgende jaren verzorgden Theodoor Smet en na hem Henri Vermeersch het onderhoud. Het is echter opmerkelijk dat reeds in 1850 de kerkfabriek een beroep deed op de Brusselse orgelfirma Merklin-Schutze om over te gaan tot een grondig herstelproject. Deze maakten een kostenraming en voorzagen daarbij voor ruim de helft nieuw pijpwerk. Te duur echter voor de Broechemse kerk en de modernisering ging niet door. Gelukkig.
Henri Vermeersch zal in de jaren 1870-1872 een belangrijke verbouwing doorvoeren. Samen met zijn associé Petrus Stevens plaatste hij een nieuwe windlade in het onderwerk en verplaatsen ze de speeltafel naar de zijkant. De tractuur moest derhalve volledig vernieuwd worden maar werd hopeloos ingewikkeld door de beperkte ruimte die in de orgelkast voorhanden was. Ook de dispositie werd veranderd met o.m. een romantische voix céleste.
Later zal Jos Stevens voor het onderhoud en het stemwerk zijn vader Petrus Stevens opvolgen. Als laatste orgelwerker in de rij voert Laur. Goyvaerts uit Edegem in 1951 nog een transformatie door.
Slijtage, amateuristische ingrepen, warme-lucht-verwarming en vermolming bespoedigden het verval. In het begin van de jaren 70 werd het zilveren orgel op rust gesteld. Men behielp zich bij de eredienst met een koororgel uit 1957 van de firma Stevens uit Duffel.