Het orgel in Broechem draagt in zich een boeiende vergelijking tussen begenadigde vertegenwoordigers van verschillende orgelbouwtradities:
Detail van het "Forceville" hoofdwerk
Jean-Baptiste Forceville (1660-1739)
Naar eigen zeggen is Jean-Baptiste Forceville geboren in Sint-Omaars, de Artesische stad op de grens met het graafschap Vlaanderen. Doorgaans noemt men 1660 als zijn geboortejaar. Hoewel deze streek nu volledig verfranst is, lag “Saint-Omer” in de 17de eeuw op de grens tussen het Franse en Nederlandse cultuurgebied, waar zowel Vlaamse als Franse kunstenaars aan het werk waren. Dit zorgde voor een interessante artistieke kruisbestuiving, en niet in het minst op het gebied van de orgelkust. Zo mag men zonder overdrijving spreken van een Frans-Vlaamse stroming, die een diepgaande invloed zou uitoefenen op de Franse orgelbouw, en die in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de 18de eeuw de aanzet zou geven tot een sterke heropleving van de orgelkunst. Jean-Baptiste Forceville zou hierin een sleutelrol spelen.
Waar Forceville precies de stiel leerde is niet met zekerheid geweten. Wel was er een vioolbouwer, J.B. Forceville, in Sint-Omaars werkzaam in 1673. Een zekere Jean Forcheville herstelde in 1676 de blaasbalgen van het orgel van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Sint-Omaars. Dezelfde man werkte later nog aan het doksaal. Als onze Jean-Baptiste de zoon of een nauwe verwant was van deze Jean Forcheville, kunnen we vermoeden waar hij zijn eerste schreden in de orgelbouw zette.
In zijn geboortestreek kon Forceville uitgebreid kennismaken met het werk van de belangrijke Ieperse orgelbouwfamilie Langhedul, die de Vlaamse renaissance orgelbouw toonaangevend zou maken in Frankrijk, zelfs tot in Spanje. Ook Charles Waghers (1515?) en Jean Crignon (1564) waren in Sint-Omaars actief. Als knaap moet Jean-Baptiste Forceville zeker François Van Isacker (1627-1682) uit Veurne persoonlijk ontmoet hebben toen deze aan het orgel van de kathedraal van Sint-Omaars werkte. Van Isacker werkte ook bij Nicolaes van Haeghen aan het prachtige orgel van de Dominicanenkerk te Antwerpen (1654-1658), een orgel dat Forceville zelf later zou verbouwen. Zodoende kon Forceville de vruchten plukken van de rijke bloei en uitstraling van de Zuid-Vlaamse orgelkunst en beschikte hij over heel wat kennis van zaken toen hij naar het Noorden emigreerde.
In de Belgische archieven ontmoeten we Jean-Baptiste Forceville voor het eerst in 1680. Hij voerde toen grote herstellingen uit aan het orgel van het West-Vlaamse Boekhoute. Twee jaar later wordt hij gesignaleerd in de Gentse kathedraal.
De Antwerpse periode
In 1683 tekende Forceville een contract voor de bouw van het orgel van Loenhout (Noorder-Kempen). De aanbesteding van 15 september 1683 vermeldt dat de onderdelen in Antwerpen moesten worden afgehaald. Dit doet het vermoeden rijzen dat Forceville in deze stad reeds anno 1683 over een eigen atelier kon beschikken. In dezelfde archieven is er ook sprake van “Mr. Joan Baptista Forcivil, orgelmaecker binnen Antwerpen”. Hieruit mogen we dus besluiten dat hij zich ten laatste rond deze tijd in Antwerpen vestigde.
Waarom Forceville net de Scheldestad uitkoos, legt hij zelf uit. Als orgelbouwer was hij namelijk op zoek naar werkgelegenheid en die had hij in Antwerpen gevonden. Blijkbaar kwam hij daar goed van pas, want er was geen tweede orgelbouwer voorhanden om de instrumenten in de talrijke kerken en kapellen van de stad te onderhouden. Bijgevolg kon hij rekenen op de steun van organisten en vertegenwoordigers van Antwerpse kloostergemeenschappen.
Een eigen woonst bezat Forceville toen nog niet. In 1686 woonde hij bijvoorbeeld nog in bij kleermaker Jan Henderickx. Vanaf 1oktober 1687 huurde hij het huis Sint-Joris in de Huidevettersstraat. Enige tijd later trad hij in het huwelijk met Maria Magdalena Cannaerts, een vrouw uit een niet onbemiddelde familie met nogal wat eigendommen in het Brusselse. Ze kregen minstens vier kinderen. Al spoedig verhuisde het gezin Forceville naar het huis De Librarije op de Meir. De jongste telg was Joannes Thomas Forceville, die geboren werd op 5 juli 1696. Later zou deze het orgelbedrijf van zijn vader voortzetten. Na de geboorte van dit vierde kind werd Maria Cannaerts ziek en ze stierf het jaar daarop.
Intussen had de orgelbouwer Forceville niet stilgezeten, al lijken zijn activiteiten was traag op gang te komen. In Loenhout heeft men zelfs 12 jaar geduld moeten oefenen vooraleer het bestelde orgel geleverd werd. En het is ook zeer de vraag of het instrument dat in 1686 besteld werd door de pastoor van het Antwerpse begijnhof, Michiel Dierckx, ooit is afgewerkt. Niettemin kreeg Forceville in 1690 de eer om een nieuw orgel te bouwen voor de Cisterciënzerabdij van Hemiksem. In 1691 werd hij ingeschreven in de Sint-Lucasgilde van Antwerpen als handelaer ende konstvercooper. De bestellingen kwamen nu regelmatig binnen:
Haasdonk (1692), Kruibeke (1696), Stabroek (1699), Bevel (1699), Aalst Sint-Martinus (1703) en Gent H. Kerst (1705). De faam van Forceville verspreidde zich ver buiten het Antwerpse…
Volgens enkele auteurs reisde Forceville rond de eeuwwisseling naar de Noordelijke Nederlanden. Indien dit effectief zo zou zijn is het duidelijk dat dit contact met de zeer Duits gerichte Hollandse orgelbouw inspirerend zal gewerkt hebben voor de grote nieuwe projecten die Forceville nadien tot stand zou brengen.
De Brusselse periode
In de periode 1702-1706 trok Jean-Baptiste Forceville naar Brussel. Doorgaans haalt men economische motieven aan voor deze verhuizing. In de hoofdstad van de Zuidelijke Nederlanden was hij o.m. werkzaam als orgelbouwer aan het Hof. Op 11 februari 1706 huurde hij te Brussel een huis. Men mag veronderstellen dat hij zich toen definitief in deze stad gevestigd heeft. De contracten voor de bouw van orgels bevestigen dit trouwens en ook later zou hij binnen Brussel een woonst blijven huren.
In hetzelfde jaar sleepte Forceville de opdracht binnen om een groot orgel te bouwen voor de Sint-Goedelekerk te Brussel. Hij werkte hiervoor een revolutionair concept uit, waarbij het pijpwerk niet meer in één kast werd geplaatst, maar verdeeld werd over drie orgelkasten die naast elkaar op het doksaal werden opgesteld. Deze gedurfde vernieuwing kampte echter met technische mankementen, zodat Forceville in 1714 verplicht werd om het instrument volledig te herbouwen. Deze mislukking was echter niet van die aard om de zaken te doen teruglopen. Integendeel, het prestige van J.B. Forceville stond borg voor een reeks bestellingen:
Ukkel (1710), Sint-Joost ten Node (1710), Wilrijk Sint-Bavo (1710), Lokeren (1710-1715), Ekeren (1711-1713), Mechelen Sint-Petrus en Paulus (1712 1713), Edegem (1716) en Lier Begijnhofkerk (1719-1723).
Forceville was nu een beroemd man en verkeerde op het toppunt van zijn kunnen. Als dé autoriteit in de Zuidelijke Nederlanden werd hij geraadpleegd door of had hij contact met andere “groten” van zijn tijd: Jacobus Van Eynde uit Ieper, die in West- en Frans-Vlaanderen actief was en de Duitser Christiaan Penceler, die de Kempische orgelbouw sterk beïnvloedde.
Binnen de stad Antwerpen ontplooide Jean-Baptiste Forceville opnieuw een intense activiteit met grote projecten, zodat men wel eens spreekt van een tweede Antwerpse periode. Of hij echter in deze jaren ook een atelier in Antwerpen hield, mag ten zeerste betwijfeld worden. Toch zijn het Forcevilles bekendste werken die toen in de Scheldestad opgeleverd werden en tot op heden min of meer bewaard bleven: het koordoksaalorgel voor de Predikherenkerk (zijn zilveren orgel dat zich nu in Broechem bevindt, 1720?), het opus dubium voor de Sint-Carolus Borromeüs (1720) en het enig mooie koordoksaalorgel voor de Sint-Jacobskerk (1726-1728). Ook het monumentale instrument voor de abdijkerk van Ninove dateert uit deze periode (1728). Enkele jaren later (1730-1732) was Forceville alweer werkzaam bij de Antwerpse Dominicanen voor de renovatie en uitbreiding van het beroemde van Haeghen-orgel uit 1654.
Tijdens zijn Brusselse periode huwde Jean-Baptiste nog tweemaal. In 1720 verbond hij zich in de echt met Anne le Tondeur en op 15 september 1729 hertrouwde hij met de Antwerpse Catharina Gansacker, een dame uit een vermogende familie. Vanaf 1731 was Forceville aangesloten bij het muzikantenkorps van het Koninklijk Hof in de functie van maitre d’orgue. Dat bleef hij tot aan zijn dood.
Een hele schare leerlingen werd in het atelier van Forceville gevormd, zodat men gerust mag stellen dat hij school maakte. Onder zijn leerlingen vernoemen we zijn zoon Jean Thomas Forceville (1696-1750), Egidius le Blas (1701-1786), Jean-Baptiste Barnabé Goyaut (1725-1780), Jean Joseph Vanderhaeghen en natuurlijk de beroemde Pieter van Pethegem (1708-1787), langs wiens nageslacht van orgelbouwers de “Forceville stijl” nog lang zou nawerken.
Jean-Baptiste Forceville werd op 29 juni 1739 begraven inde Minderbroederskerk te Brussel.
Kenmerken van de Forceville-stijl
Toen de jonge Forceville zich in Antwerpen kwam vestigen, was hij beslist geen neofiet in zijn vak. Zijn succesrijke start als vreemde orgelbouwer suggereert dat sterk. Bovendien wist Forceville zich goed te richten naar de smaak van de Brabantse orgelbouw, die sterk beïnvloed was door Duitse orgelbouwers als Goltfuss en Bremser. Voor iemand uit het verre Sint-Omaars was dat niet vanzelfsprekend. Opvallende voorbeelden van deze souplesse zijn o.m. het gebruik van de Duytse Fluyt (Loenhout; Sint-Goedele) en van de Quint 3’ als prestant. Ook in de meubelstructuur koos Forceville aanvankelijk voor de traditie: een groot orgel als hoofdwerk met de klaviatuur aan de frontzijde en achter de rug van de organist een positieforgel of rugpositief, dat de doksaalballustrade onderbrak. Denken we maar aan de nog overgebleven orgelkasten van Stabroek en Wilrijk.
Na de eeuwwende leren we een rijpe Forceville kennen die zijn eigen weg gaat. Hij disponeerde nu ook registers die eerder zuiders gericht waren, zoals de Franse Tiercé. Zo ontwikkelde hij een orgeltype dat de Franse, Brabantse (Duitse) en Vlaamse tradities tot een nieuwe synthese bracht. Na een lange middelmatige periode in de Vlaamse orgelbouw was eindelijk opnieuw een typisch Zuid-Nederlands orgeltype geboren. Het betekende de doorbraak van de hoogbarok in de regionale orgelbouw. Meteen gaf Forceville reeds de aanzet tot de speelse orgelrococo, die met zijn Vlaamse leerling Pieter van Peteghem nogmaals hoge toppen zou scheren.
Volgens Antoon Fauconnier klonken de instrumenten van Forceville niet zozeer krachtig, maar was hun klankbeeld eerder mild en rond. Algemeen gesproken beantwoordde het pijpwerk dat Forceville afleverde aan de traditionele normen van metaaldikte en stevigheid. De mixturen (fourniture en cymbale) klonken scherp en ze doorbraken de barokke geslotenheid van het plenum. De tongwerken werden door Forceville zo gebouwd, dat ze voor polyfoon gebruik geschikt waren, nog geheel in de traditie van de barok. Tenslotte citeren we nog uit Forcevilles contract voor het orgel van Sint-Goedele te Brussel, waarin we lezen over een “bourdon double d’une nouvelle invention du facteur, et fera l’effet d’un unisson, sera de seize pds” en over het “positive pour l’accompagnement de la musique et qui par un secret a moij conneu servira aussi pour l’echo”. Schijnbaar bezat Forceville niet alleen een artistiek meesterschap, maar wist hij zich ook commercieel waar te maken… Wat de vermelde bourdon pijpen betreft, gaat het hier om houten pijpen met twee monden i.p.v. één.
Het is opmerkelijk dat Forceville slechts zelden een volwaardige pedaaldispositie voorzag, hoewel dit in Duitsland en Nederland een verworvenheid was en ook in Frankrijk toegepast werd als cantus-firmus-klavier. Bovendien was ook het van Haeghenorgel in de Predikherenkerk te Antwerpen van een zelfstandig pedaal voorzien, net zoals het Goltfussorgel bij de Norbertijnen in Tongerlo. Omdat Forceville met alles vertrouwd was, mag men veronderstellen dat hij er bijgevolg ook voor ijverde om het zelfstandig pedaal ook bij ons in te voeren. Bij grote projecten voorzag hij trouwens een aparte pedaaldispositie. Zo bijvoorbeeld bij het orgel voor Sint-Goedele (1706) in Brussel, waar hij duidelijk in de lijn ligt van de beste Hollandse traditie. Het lijkt er echter op dat in de Zuidelijke Nederlanden zo’n apart pedaal niet zo populair was. De plaatselijke componisten werden er schijnaar niet door geïnspireerd. Misschien omdat ze hier hun opleiding eerder als clavecinist dan als organist genoten?
Een andere, zeer opvallende vernieuwing van Forceville is te vinden in de revolutionaire opstelling van het instrument. Terwijl tot dan toe de orgelkasten gebald en stoer de kerkdoksalen domineerden, koos Forceville voor een sierlijke opbouw in de breedte. Zo voorzag het eerste ontwerp voor het koordoksaal voor de Brusselse Sint-Goedele een opstelling in drie afzonderlijk opgestelde orgelkasten. Links en rechts tegen de grote vieringpeilers klommen de kasten voor de hoge pijpen van het pedaalwerk omhoog. Ertussenin en los ervan een lager meubel voor de rest. Zoals eerder reeds vermeld, kampte dit orgel met ernstige problemen in zake de windvoorziening, zodat Forceville zijn werk in 1714 moest overdoen. Dit fiasco was echter niet van die aard dat hij terugkeerde naar de klassieke opbouw van hoofdwerk-rugwerk.
De barokke zwier in de architectuur en beeldhouwkunst waren voor een inventief man als Forceville een stimulans om te streven naar elegante meubelconstructies en een sierlijke verdeling van de pijpenvelden in het orgelfront. Een duidelijk voorbeeld van dit streven en van de voor Forceville typische breedtebouw is wel het schitterende koordoksaalorgel in de Sint-Jacobskerk van Antwerpen. De speelse indeling van het orgelfront hier lijkt wel een uitgebreide variatie op dat van het zilveren orgel, dat enkele jaren eerder gebouwd werd voor de nabijgelegen Dominicanenkerk. Het werd algemeen beschouwd als één van de meesterwerken van de alomgeprezen famosus organarius.
Tot nu toe bekende activiteiten van Jean-Baptiste Forceville
1680
Boekhoute: grote herstelling
1682
Gent, kathedraal: herstellingen
1683
Loenhout: nieuw orgel
1686
Antwerpen: keuring van een klok
1687-90
Antwerpen, begijnhof: nieuw orgel
1690
Hemiksem, Sint-Bernardusabdij: nieuw orgel
1691-92
Antwerpen, kathedraal: herstellingen
1691
Breda, rooms-katholieke kerk in de Brugstraat: herstellingen
1692
Haasdonk: project voor een nieuw orgel
1694 tot 1739
Brussel, Sint-Catharina: diverse herstellingen en groot werk in 1707
1696
Kruibeke: nieuw orgel
1699
Stabroek, Sint-Catharina: nieuw orgel
1699
Bevel, Onze-Lieve-Vrouw: nieuw orgel
1699
Salonorgel (In de Temple du Musée te Brussel bevindt zich nog een leeg orgelkastje met een gesculpteerd opschrift “Forcevil - 1699”: het betreft waarschijnlijk een voormalig salonorgeltje van de orgelmaker zelf)
1700
Bergen-op-Zoom, rooms-katholieke kerk Sint-Gertrudis: herstellingen
1703
Aalst, Sint-Martinus: nieuw orgel
1703
Affligem, abdij: herstellingen
1703
Antwerpen, kathedraal, kapel van het H. Sacrament: kuisbeurt
1705
Gent, H. Kerst: nieuw orgel, uitbreiding in 1714
1705
Gent, Sint-Michiel: overeenkomst (Forceville daagt echter pas in 1710 terug op, maar toen was het werk reeds door een andere orgelmaker uitgevoerd)
1705-20
Antwerpen, kathedraal: onderhoud
1706
Brussel, Sint-Goedele: nieuw orgel, eerste project werd een mislukking en na een proces was Forceville verplicht een nieuw orgel te leveren.
1710
Ukkel, Sint-Pieter: nieuw orgel
1710
Sint-Joost-ten-Node: nieuw orgel
1710
Wilrijk, Sint-Bavo: nieuw orgel
1710-15
Lokeren, nieuw orgel
1711
Gent, Sint-Niklaas: herstelling
1711-13
Ekeren, Sint-Lambertus: nieuw orgel
1712-13
Mechelen, Sint-Petrus en Paulus: nieuw orgel, maar onvoltooid (een orgel werd dan gebouwd in 1713 door C. Dillens)
Ong.1715
Antwerpen, kathedraal: voorstel tot modernisering
1715-16
Aalst, belfort: keuring te Gent van de beiaard bestemd voor Aalst
1716
Edegem: nieuw orgel, herstellingen in 1729-30
1718
Asse: herstellingen
1719
Brugge, Sint-Salvator: keuring van het nieuwe orgel van Jacobus Van Eynde
1719-23
Lier, begijnhofkerk: nieuw orgel
Ong. 1720
Antwerpen, Predikherenkerk (Sint-Paulus): nieuw orgel voor het koordoksaal (thans te Broechem)
1720-22
Antwerpen, Jezuïetenkerk (Sint-Carolus Boromeüs): nieuw orgel (opus dubium). Het thans bestaande orgel is waarschijnlijk van C. Dillens. Of bouwde Forceville hier een orgel voor de brand van 1699?
1722
Baarle-Hertog, Sint-Remigius: nieuw orgel
1723
Zandvliet: nieuw orgel (opgeleverd in 1728?)
1724
Geel, Sint-Amandus: keuring van het orgel van Christiaan Penceler
1725
Berchem: nieuw orgel
1725-29
Deurne, Sint-Fredegandus: nieuw orgel, herstellingen in 1730
1726-29
Antwerpen, Sint-Jacob: nieuw koordoksaalorgel
1728
Ninove, abdijkerk: nieuw orgel
1730-32
Antwerpen, Predikherenkerk (Sint-Paulus), westdoksaal: renovatie en vergroting van het van Haeghenorgel van 1654
1731-39
Brussel, Hofkapel: onderhoud van de instrumenten
1733
Zaffelare; renovatie m.m.v. zijn leerling E. Le Blas
1736
Brussel, College der Jezuïeten: nieuw orgel (bij de supprimatie van de Jezuïetenorde overgeplaatst naar de Brusselse Sint-Annakapel)
1738
Brussel, Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand: nieuw orgel (geplaatst door zijn zoon Jean-Thomas)
Theodoor Smet werd in Geel geboren op 1 januari 1782. Zijn opleiding en ervaring met de orgelbouw kreeg hij in het atelier van Paul van Overbeek te Mechelen. Van Overbeek was geboortig van Aarschot (1766). Hij was de zoon van de Zeeuwse orgelbouwer Jan van Overbeek, die in Geel nog met Jacobus Verbuecken had samengewerkt en die we in Broechem tegenkomen tussen 1763 en 1781 voor onderhoudswerken aan het Goltfuss-orgel. Paul van Overbeek zelf genoot zijn opleiding o.m. bij de genoemde familie Verbuecken, zodat we hiermee de lijn kunnen doortrekken tot de grote Kempense orgelbouwer Christiaan Penceler, tijdgenoot en kennis van Jean-Baptiste Forceville. Paul van Overbeek woonde eerst een tijdje in Lier. In mei 1816 vestigde hij zich te Mechelen. Orgels van van Overbeek stonden bijvoorbeeld in de Sint-Trudokerk te Meerhout en in de Sint-Lambertuskerk te Westerlo. Met deze leermeesters sloot Smet aan bij de klassieke barokstijl uit de Kempen.
De actieve orgelbouwerloopbaan van Theodoor Smet situeert zich van omstreeks 1805 tot 1853. In die periode kon hij zich spiegelen aan de werken van tal van collega’s, met in het bijzonder: de orgelbouwersfamilie Loret in Dendermonde, Sint-Niklaas, Mechelen en Hoogstraten; Joannes-Reiner Titz (van Duitse origine), die eveneens in Hoogstraten werkzaam was; Antoine Coppin (1767-1843) in Nijlen; Jean-Pierre De Volder (1767-1841) en diens zoon Henri te Antwerpen; Jean-Joseph Delhaye, de vierde generatie reeds, te Antwerpen (1786-1845); Simon-Gerard Hoghuys (1780-1853) te Brugge; Pierre-Charles II van Peteghem (1792-1863) of de derde generatie van dit bekende Gentse orgelbouwersgeslacht. En naast zijn tijdgenoten werd Theodoor Smet ook nog geconfronteerd met het werk van de meesters uit vroegere tijden, waaronder Jean-Baptiste Forceville te Antwerpen.
Het werk van Theodoor Smet
In 1822 nam Theodoor Smet het werk over van zijn leermeester Paul van Overbeek, die toen juist bezig was aan het orgel te Duffel. In datzelfde jaar vestigde Smet zich als zelfstandig orgelbouwer in deze gemeente aan de Nete. Zijn woonhuis en werkplaats bevonden er zich in de Kapelstraat. Dit huis stond/staat bekend als De rode leeuw of ook wel ’t Leeuwke en is thans de pastorie van de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Goede Wil. Smet zou zich in Duffel ook sociaal engageren en vele jaren zetelen in de gemeenteraad.
Theodoor Smet was in Broechem geen onbekende. Hij deed er reeds het stemwerk van het oude Goltfussorgel en zo mocht ook hij in 1832 het oude zilveren orgel van J.B. Forceville uit Antwerpen overbrengen naar de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Broechem. Het orgel kreeg hier van Smet een ondermeubel, zodat het breed uitgewerkte instrument esthetisch en functioneel aansloot op het doksaal boven de ingangspoort van de kerk. Hij paste het klavier aan en breidde het uit tot f’’’, zodat het 54 toetsen kreeg. Hiertoe moest hij voor elk register nieuw pijpwerk maken voor de hoogste vijf tonen en dienden ook de windlades en de mechaniek te worden aangepast.
Intussen bouwde Theodoor Smet verder aan een mooie loopbaan. Hij stond bekend als een bescheiden en gedienstig man. Zijn vak beheerste hij grondig en hij leverde degelijke instrumenten af met een eigen fris klinkende persoonlijkheid. Hierbij bleef hij zeer trouw aan de Kempische en Brabantse traditie waarin hij gevormd was. Zijn enige toegeving bestond erin dat hij ook meer romantische registers (bv. viola da gamba) inbracht, die pasten in de Kempisch-Brabantse smaak van die tijd. Als gevestigde waarde mocht hij menig historisch orgel herstellen of aanpassen. Zo vinden we hem terug te Antwerpen in Sint-Paulus, Sint-Jacob, Sint-Andries en in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal.
In 1839 is Theodoor Smet terug in Broechem om in het door hem geplaatste ondermeubel van het orgel een positieforgel te bouwen. De orgeldispositie ervan gaat vrij goed samen met die van Forcevilles hoofdwerk. Ook elders bouwde Smet nieuwe orgels. Zo ondermeer in de Leuvense Dominicanenkerk, de begijnhofkerk te Herentals en in de parochiekerken van Ranst, Boechout, Zoerle-Parwijs, Geel, Kontich, Zandhoven, Pulderbos, Oostmalle… Vooral het mooie instrument van de Antwerpse Sint-Augustinuskerk uit 1839 kenmerkt Theodoor Smet als de laatste vertegenwoordiger van de barok en de rococo-periode in de orgelbouwkunst van de Zuidelijke Nederlanden. Een periode die destijds zo krachtig en vol overgave was ingezet door Jean-Baptiste Forceville en zijn tijdgenoten.
Vanaf 1839 associeerde de 57-jarige Smet zich met de nog relatief jonge Henri Vermeersch. Wellicht had hij in de getalenteerde jongeman uit Oost-Vlaanderen een geschikte opvolger gezien. Op 21 november 1853 overleed Theodoor Smet in Duffel. Hij werd 71 jaar oud.
Werklijst van Theodoor Smet
1822
Kontich, Sint-Martinus: onderhoud
1825?
Antwerpen, Sint-Laurentius: overplaatsing van het Forceville-orgel uit Sint-Paulus
1828
Diest, Sint-Sulpitius en Dionysius: nieuw orgel
1828
Tremelo, Onze-Lieve-Vrouw van Bijstand: nieuw orgel
1829
Tildonk, Sint-Jan Baptist: nieuw orgel
1829
Leuven, Dominicanenkerk (Onze-Lieve-Vrouw): nieuw orgel
1829-30
Broechem, Onze-Lieve-Vrouw: stemmen van het Goltfussorgel
1830
Pellenberg, Sint-Pieter: overplaatsing van het orgel van Tremelo naar Pellenberg
1831
Houtem (volgens Grégoir)
1831
Tessenderlo (volgens Grégoir)
1831
Lint, Onze-Lieve-Vrouw: nieuw orgel
1831
Reet, H. Maria Magdalena: verbouwing van het orgel
1832
Antwerpen, Sint-Laurentius: nieuw orgel
1832
Broechem, Onze-Lieve-Vrouw: overbrenging van het zilveren orgel (Forceville) uit de Sint-Laurentiuskerk te Antwerpen naar Broechem.
1832
Mechelen, Klein Seminarie (volgens Grégoir)
1832
Herentals, begijnhofkerk (volgens Grégoir)
1832
Zoerle-Parwijs, Sint-Nicolaas (volgens Grégoir)
1833
Oostmalle, Sint-Laurentius: werken aan de blaasbalg
1834
Schaffen, Sint-Hubertus: nieuw orgel
1835
Geldenaken: nieuw orgel?
1835
Londerzeel, Sint-Kristoffel: uitgebreide verbouwing van het orgel
1835
Diest, Sint-Catharina (begijnhofkerk): transformatie van het Pencelerorgel
1835
Ranst, Sint-Pancratius: nieuw orgel
1836
Molenbeek, Sint-Laurentius: nieuw orgel
1836
Klein-Vorst, Sint-Nicolaas (volgens Grégoir)
1837
Ranst-Millegem, Onze-Lieve-Vrouw: overplaatsing van het orgel van Sint-Pancratius Ranst naar deze bijkerk
1837-39
Antwerpen, Sint-Augustinus: nieuw orgel
1838
Boechout, Sint-Bavo: nieuw positieforgel
1839
Broechem, Onze-Lieve-Vrouw: nieuw positieforgel
1839
Tremelo, Onze-Lieve-Vrouw (volgens Grégoir)
1839
Mechelen, Zwartzusters (volgens Grégoir)
1839-40
Webbekom, Sint-Trudo (Diest): nieuw orgel
1839-41
Schoonbroek, Sint-Job (Retie): nieuw orgel
1839
Blaasveld, Sint-Amandus (Smet & Vermeersch) (volgens Grégoir)
1839
Lummen (Smet & Vermeersch) (volgens Grégoir)
1839
Geel, Sint-Dympna (Smet & Vermeersch) (volgens Grégoir)
1840
Sint-Joris-Winge, Sint-Joris: nieuw orgel (Smet & Vermeersch)
1840
Kontich, Sint-Martinus: totale vernieuwing van het orgel (Smet & Vermeersch)
1840
Antwerpen, Sint-Niklaaskapel: nieuw orgel? (Smet & Vermeersch)
1841
Zandhoven, Sint-Amelberga: nieuw orgel (Smet & Vermeersch)
1842
Loksbergen (Smet & Vermeersch) (volgens Grégoir)
1843-46
Ekeren, Sint-Lambertus: transformatie van het orgel (Smet & Vermeersch)
1843-51
Boechout, Sint-Bavo: onderhoud (Smet & Vermeersch)
1849
Pulle, Sint-Petrus en Paulus: verbouwing van het Verbueckenorgel (Smet & Vermeersch)
1849
Antwerpen, Sint-Jacob: onderhoud koordoksaalorgel (Smet & Vermeersch)
1849
Oostmalle, Sint-Laurentius: nieuw orgel (Smet & Vermeersch)
Verder:
Walem, Pulderbos, Oevel, Oostham, Gestel (Berlaar), Koersel, Beverlo, Antwerpen (Zusters van Liefde) (volgens Grégoir)
Toen Theodoor Smet zich in 1839 met Henricus Joannes Maria Vermeersch associeerde, wist hij zijn bedrijf te versterken met een jongeman, die reeds enige ervaring in de orgelbouw had opgedaan. Henri Vermeersch was op 10 augustus 1815 geboren in het Oost-Vlaamse Bassevelde. Men veronderstelt dat bij Vermeersch de interesse voor het orgelambacht werd opgewekt toen hij in 1834 kennis maakte met de orgelmaker François Loret. Deze Dendermondenaar kwam in de kerk van Bassevelde het orgel herstellen. Ook de belangstelling van Henri’s zus werd gewekt, maar in dit geval voor de persoon van François Loret zelve. Ze trad met hem in het huwelijk. Henri Vermeersch zou zijn schoonbroer volgen naar Sint-Niklaas, om daar in de leer te gaan in het orgelatelier van de firma Loret-Vermeersch, genoemd naar het echtpaar zelf en niet naar Henri.
Nog voor het orgelatelier van François Loret naar Mechelen werd overgebracht, verliet Henri Vermeersch zijn schoonbroer in 1839. Waren er meningsverschillen ontstaan of zocht hij naar een mogelijkheid om een zelfstandig bedrijf uit te bouwen? Hij vond in ieder geval in het bloeiende orgelatelier van Theodoor Smet te Duffel een nieuwe toekomst en associeerde zich met hem. Toen Smet in 1853 stierf, nam Vermeersch het bedrijf over. Hij wist de Duffelse orgelbouwtraditie verder te zetten in ’t Lieve Vrouwke, een historisch huis in Duffel, op de hoek van de Gemeentestraat en de Molenstraat.
In vergelijking met beroemde tijdgenoten als Cavaillé-Colle te Parijs - die ook in België orgels leverde - bleef Henri Vermeersch eerder traditioneel werken. Hij deed geen beroep op fabriekspijpwerk, maar koos voor degelijk materiaal en eigen vakmanschap. Zijn instrumenten bezitten bijgevolg nog een eigen ziel, wat niet altijd gezegd kan worden van vele “bandwerk”-orgels die in de 19de eeuw tegen een hoog tempo werden geproduceerd.
Hoewel Henri Vermeersch dus trouw bleef aan de ambachtelijke traditie, zou hij toch het werk van zijn voorganger Smet niet louter kopiëren. In tegenstelling tot zijn laat-klassieke associé richtte Vermeersch zich meer op de romantiek, die met enige vertraging nu ook de orgelbouw had weten te veroveren. Zeker nadat bijvoorbeeld een Jacques Lemmens de orgelmuziek een nieuwe “moderne” impuls wist te geven. Toch zal Vermeersch de traditie niet loslaten en zich eerder gedeeltelijk en voorzichtig aanpassen aan de romantische mode.
Vermeersch wist het vertrouwen te winnen van tal van opdrachtgevers. Zo bouwde hij nieuwe instrumenten in Antwerpen (Zusters van Liefde), Beringen, Minderhout, Merksem, Lier (Kartuizerskerk), Ranst (Sint-Pancratius), Kapelle-op-den-Bos en Brasschaat (Sint-Antonius). In de Sint-Romboutskathedraal van Mechelen mocht hij het grote Van Peteghemorgel verbouwen en vanuit de zijbeuk verplaatsen naar het nieuwe westdoksaal. In vele kerken volgde hij Smet op voor het stem- en onderhoudswerk. Zo kwam hij ook in Broechem terecht, waar hij o.m. in 1872 de windlade van het positief vernieuwde.
Vermoedelijk in 1856 nam Vermeersch de 15-jarige Petrus Stevens uit Kapelle-op-den-Bos in dienst als orgelmakersgast. In 1871 trouwde deze leerling met Joanna Angelina Emma Vermeersch, Henri’s oudste dochter. Petrus Stevens associeerde zich met zijn schoonvader. Op 14 april 1886 overleed Henri Vermeersch te Duffel. Petrus Stevens nam later het orgelbedrijf van zijn schoonmoeder over. Petrus’ zoon, Jos Stevens, trok de traditie door naar de twintigste eeuw. Zowel Petrus als Jos Stevens werkten aan het Broechemse orgel. Cécile Stevens volgde haar vader Jos op. Zij overleed in 1984. Ook vandaag nog bestaat er een Duffelse orgelnijverheid, in de bedrijven die ontstonden uit de firma Jos Stevens. Zo bv. Fa. J. Stevens o.l.v. de heer Casteels en Aerts & Castrel van de heer Jozef Cleirhout.
Werklijst van Henri Vermeersch
1850
Erps, Sint-Amandus: transformatie
1853
Wilmarsdonk, Sint-Laurentius; vernieuwing
1853
Kontich, Sint-Martinus: nieuw positief-orgel
1853
Merksem, Sint-Bartholomeüs: nieuw orgel (verwoest in WOII)
Ca. 1855
Wersbeek, Sint-Quirinus: transformatie van het orgel
1855
Steenokkerzeel, Sint-Rumoldus: transformatie van het H. Goltfussorgel
Ca. 1860
Kortenaken, Sint-Amor: vernieuwing van het orgel ?
1864
Perk, Sint-Niklaas: uitbreiding van het orgel
1866
Ranst, Sint-Pancratius: nieuw orgel
1867
Wolvertem, Sint-Laurentius: nieuw orgel
1870
Brasschaat, Sint-Antonius: nieuw orgel
1866-79
Antwerpen, Sint-Andries: onderhoud en stemmen
1872
Antwerpen, Sint-Jacob: onderhoud koordoksaalorgel
1872
Broechem, Onze-Lieve-Vrouw: verbouwing van het orgel
1877-78
Antwerpen, Sint-Carolus-Borromeüs: verbouwing van het orgel
1880
Sint-Pieters-Leeuw, Sint-Pieter: transformatie (Stevens & Vermeersch)
?
Lint, Onze-Lieve-Vrouw: transformatie van Smet-orgel (Stevens & Vermeersch)
?
Stabroek, Sint-Catharina: werken (?) aan het orgel
?
Leuven, Onze-Lieve-Vrouw: nieuw orgel
?
Mechelen, Sint-Romboutskathedraal: verplaatsing en vernieuwing van het groot orgel
Volgens Grégoir levert Vermeersch nog nieuwe orgels, of is hij verder werkzaam in volgende plaatsen:
Heindonk (Sint-Jan-Baptist en Amandus), Luyksgestel, Antwerpen (Zusters van Liefde), Kapellen-op-den-Bos (Sint-Nicolaas), Beringen (Sint-Lambertus), Kruishoutem (Sint-Eligius), Minderhout (Sint-Clemens), Zolder, Sint-Niklaas (Onze-Leve-Vrouwe-instituut), Diest (Kruisherenkerk), Lier (Sint-Gummarus), Koningshooikt (Sint-Jan Evangelist), Boom (Onze-Lieve-Vrouwe-instituut), Brussel (Miniemenkerk), Antwerpen (Recollettenklooster), Floreffe (Seminarie: vernieuwing van het orgel), Heffen (Sint-Amandus), Lier (Kluizenkerk).