Het Zilveren Orgel


Home   :   Activiteitenkalender   :    Het Orgel    :    Geschiedenis    :    Restauratie   :   Stuurgroep    :   Opnames    :    Fotogalerij   :    Contact/Links 

Het ontwerp van de restauratie van het zilveren orgel en de leiding van de werken berustten bij Jef Braekmans uit Vorselaar. Het project werd uitgevoerd door orgelbouwer Jean-Pierre Draps uit Kortenberg, die voor het gespecialiseerde restauratiewerk aan de pijpen en het maken van niew pijpwerk een beroep deed op de firma Ghislain Potvlieghe-De Maeyer uit Ninove. Voor de intonatie werkte Draps samen met Gert van Buuren. De begeleiding en het toezicht vanwege de Vlaamse Gemeenschap werd waargenomen door Antoon Fauconnier uit Zele.

Het restauratieproject liep van 1993 tot 1995. De totale kostprijs bedroeg BEF 10.144.480  (251.475 euro). Hiervan nam de Vlaamse Gemeenschap 60 % voor haar rekening, de provincie Antwerpen 20 % en de gemeente Ranst 20 %.

 

 

 

 

Het opzet van het hele project bestond erin de orgelkast, de tractuur, conducten, windladen en klaviatuur naar de toestand van 1839 te herstellen. Enkel de windvoorziening met electrische motor en windmagazijn wijken hiervan af. Voor het pijpwerk opteerde men voor het herstel van het Forceville-pijpwerk in zijn oorspronkelijke toonfunctie en klankbeeld van 1720. Aangezien het pijpwerk van Theodoor Smet oorspronkelijk op een hogere toonhoogte werd gemaakt en de verhouding mensurering/toonfunctie niet mocht gewijzigd worden, werden de pijpen een halve toon opgeschoven en werd er voor C een nieuwe pijp bijgemaakt.

 

Vooreerst werd de orgelkast aangepakt : het herstel beoogde op de eerste plaats het opnieuw haaks zetten en stabiliseren van de kast.
De gedeelde windladen van het Hoofdwerk zijn de oude eiken Forceville-laden; de door Th. Smet toegevoegde cancellen deden geen afbreuk aan dit werk en waren op zeer vakkundige wijze en met behoud van een bedrijfszeker funktioneren aangebracht. Deze ingreep van Th. Smet mag dus als een historisch verantwoorde aanvulling beschouwd worden en werd aldus behouden.   In de restauratie-optie voor het Hoofdwerk werd echter uitgegaan van het volledige herstel en de aanvulling van de Forceville-dispositie. De onderwerklade was vermoedelijk van 1872, met piramidale opstelling van het pijpwerk.


Tijdens de restauratie werd de Fourniture-Cimbal aangevuld, de Voix Humaine volledig nieuw gemaakt (naar model van de oorspronkelijke, die bewaard is in het orgel van de Antwerpse Sint-Pauluskerk), het Cornet-koor hermaakt, enz.
Aangezien het herstel van het Forceville-pijpwerk in zijn oorspronkelijke toonfunktie en klankbeeld als uitgangspunt voor de restauratie genomen was, werden het herstel en de aanvulling van het pijpwerk in het Positief hieraan ondergeschikt gemaakt. Het pijpwerk van Th. Smet was in origine op een hogere toonhoogte werd gemaakt: de verhouding mensurering/toonfunktie werd bij de restauratie als een niet te wijzigen gegeven werd beschouwd, en daarom werd het pijpwerk thans een halve toon opgeschoven en werd voor elke eerste C een nieuwe pijp bijgemaakt.
 

Er werden volledig nieuwe klavieren gemaakt, naar een vroeg-18de-eeuws Van Peteghem-model.

 

 

 

                                  

 

 

 

Ook voor het pedaal ging men te rade bij een Van Peteghem, nl. te Haringe.

 

 

 


Sporen van de spaanbalgen en windkanalen waren bewaard gebleven in de doksaalvloer en op deze plaats werd de windvoorziening gereconstrueerd.

 

Het orgel te Broechem is een Zuid-Nederlands orgeltype waarin de strijkende zangerigheid van de Prestanten het uitgangspunt vormt. De houten Bourdons zijn uiterst zacht sprekend en komen ten volle tot hun recht in combinatie met andere registers.

De Roerfluit wordt gekenmerkt door een zekere rondheid in de bas, evoluerend naar een meer heldere discant. Ook in de andere registers kwijnt de klank naar de discant toe niet weg maar neemt eerder toe in sterkte, zodat de klank "opgetrokken" of helder wordt. De vulstemmen zoals Fourniture, Cimbal en Sexquialter geven een zekere felheid: de Cimbal met de allerkleinste pijpjes klinkt vrij snijdend. De Vlaamse Trompet is kloek en stevig van karakter, en uitermate geschikt zowel voor solistisch gebruik als in een Grand Jeu.
Het pijpwerk van Th. Smet, zowat 100 jaar na Forceville's werk tot stand gekomen, sluit hier bijzonder goed bij aan. Het orgel te Broechem is een van de zeldzame instrumenten waar in 1832 een evenwichtige synthese werd gemaakt tussen oud en nieuw.

De proefondervindelijk herstelde toonhoogte bedraagt 405 Hertz voor a'. De toegepaste temperatuur heeft drie reine tertsen:
C-E, F-A, G-B.
De winddruk van het instrument bedraagt 84 mm waterkolom.

 

top

 

Home